“We gaan dit jaar los over de twee miljoen.” zei Jan alsof hij net de Champions League had gewonnen. En eerlijk: als je hem bezig zag, kon je moeilijk anders dan denken dat Jan het gemaakt had.
Ooit was hij begonnen met één camionette, een ladder die
waarschijnlijk al twee eigenaars had overleefd en zichzelf. Inmiddels stonden
er twaalf man op de payroll, reden er verschillende zwarte gepimpte camionetten
met zijn logo door de Kempen en had hij een loods neergezet waar zijn eerste
bedrijf drie keer in paste.
Jan sponsorde de lokale voetbalclub, zijn vrouw reed met een
nieuwe Range Rover en zelf kwam hij tegenwoordig met een nieuwe Porsche Taycan
naar het werk. In de staminee was de conclusie dan ook snel gemaakt: “De Jan?
Die heeft geld jong.”
En Jan deed weinig moeite om dat beeld te corrigeren. “2,4 miljoen omzet”, vertelde hij graag. Wat hij er zelden bij vertelde, was hoeveel daarvan uiteindelijk van hem was. Want na materialen, onderaannemers, lonen, camionetten, brandstof, verzekeringen, de loods, administratie, interesten en al de rest bleef er onderaan de rekening ongeveer €40.000 winst over. Jan had geen klein bedrijf meer, hij had alleen ook geen bijzonder goed bedrijf.
De duurste verwarring in ondernemerschap
Vraag ondernemers hoe groot hun bedrijf is en je krijgt vaak
omzet; €500.000, €2 miljoen, €10
miljoen. Het zijn heerlijke cijfers. Ze klinken goed op een netwerkevent en
worden steeds indrukwekkender naarmate er meer nullen achter staan. Alleen
vertelt omzet je vooral hoeveel geld er door een bedrijf stroomt in plaats van
hoeveel ervan overblijft.
Daarvoor bestaat iets wat veel minder sexy klinkt: de P&L,
of Profit & Loss statement. In het Nederlands: de resultatenrekening. En
eigenlijk is het concept belachelijk eenvoudig: bovenaan staat wat je bedrijf
verkoopt en vervolgens trekt iedereen zijn broekzak open.
Leveranciers willen betaald worden. Personeel wil loon. De
leasingmaatschappij wil haar geld. De verhuurder of bank wil betaald worden.
Verzekeringen, software, energie, boekhouding en uiteraard de overheid die maar
al te graag langs de kassa passeert.
Wat daarna overblijft, vertelt een heel ander verhaal dan
omzet.
Neem Jan, hij draait €2.400.000 omzet. Stel vereenvoudigd
dat materialen, onderaannemers en directe personeelskosten daarvan €1.900.000
opsouperen. Dan blijft er €500.000 over.
Dat klinkt nog steeds fantastisch. Alleen moet Jan daarvan
zijn loods, voertuigen, verzekeringen, administratie, software en andere
bedrijfskosten betalen. Nog eens €330.000 weg en slechts €170.000 over. Vervolgens
komen financieringskosten, afschrijvingen, belastingen en andere lasten. En
uiteindelijk blijft er bijvoorbeeld €40.000 nettowinst over.
Dat wil zeggen: van iedere €100 die door Jans bedrijf
passeert, houdt zijn bedrijf nog geen €2 winst over. Plots klinkt “2,4 miljoen
omzet” iets minder indrukwekkend.
Omzet is geen geld dat je hebt
Stel dat Jan een werf verkoopt voor €100.000, opnieuw een
mooi bedrag. Alleen kost het materiaal €35.000. Er loopt voor €15.000 aan
onderaannemers rond en ook zijn eigen mensen moeten betaald worden.
De vraag is dus niet alleen: “Hoeveel hebben we verkocht?”
maar ook “Wat blijft er van die verkoop over nadat we geleverd hebben wat we
beloofd hebben?” En daarna begint het feest pas echt, want met wat overblijft
moet je de rest van je organisatie nog financieren.
Dat is waarom twee bedrijven met exact dezelfde omzet
financieel totaal verschillende bedrijven kunnen zijn. Bedrijf A draait €2
miljoen omzet en houdt €300.000 winst over. Bedrijf B draait €3 miljoen en
houdt €50.000 over. In de staminee wint bedrijf B.
Ik weet in welk bedrijf ik liever aandelen zou hebben.
Maar Jan groeit toch?
Jazeker, en daar kan het nog interessanter worden. Want
wanneer een bedrijf weinig verdient, klinkt groei vaak als de vanzelfsprekende
oplossing. “We moeten gewoon meer volume draaien, harder werken.” Dus Jan neemt meer werven aan.
Voor die extra werven heeft hij extra mensen nodig; misschien
nog een projectleider, een extra camionette, meer materiaal, meer administratie,
meer financiering. Zijn omzet stijgt naar €3 miljoen. Tijd voor champagne, een
nieuw record.
Alleen heeft niemand eerst onderzocht of een extra euro
omzet voldoende extra waarde oplevert. Als de onderliggende economics slecht
zijn, schaal je namelijk niet noodzakelijk je succes.
Je kunt ook gewoon je probleem schalen.
Meer omzet kan dan betekenen: meer mensen, meer
complexiteit, meer kapitaal dat vastzit, meer operationeel risico en een
grotere organisatie die nog steeds nauwelijks winst maakt.
De machine wordt groter, maar niet noodzakelijk beter.
Winst is trouwens ook nog geen cash
En dan heeft Jan nog een probleem; stel dat hij vandaag
materiaal bestelt voor een werf. Zijn leverancier wil binnen dertig dagen
betaald worden. Zijn mensen krijgen deze maand hun loon. Brandstof wordt
vandaag getankt. Alleen betaalt zijn klant misschien pas zestig dagen later.
Op Jans resultatenrekening kan die werf perfect winstgevend
zijn.
Ondertussen kijkt Jan naar zijn bankrekening en vraagt hij
zich af hoe hij vrijdag de lonen gaat betalen.
Winst en cash zijn niet hetzelfde.
Dat verdient eigenlijk een eigen artikel, maar het is
belangrijk omdat groei daardoor zelfs een winstgevend bedrijf in problemen kan
brengen. Hoe sneller Jan groeit, hoe meer geld hij mogelijk moet
voorfinancieren. Meer omzet kan dus tegelijk goed nieuws zijn op de P&L en
slecht nieuws op de bankrekening, welkom in ondernemerschap.
Had Jan dan een slecht bedrijf?
Misschien, maar zijn Porsche vertelt het ons niet. Zijn
twaalf werknemers ook niet, zelfs zijn €2,4 miljoen omzet niet. Om te weten hoe
gezond Jans bedrijf werkelijk is, moeten we andere vragen stellen.

Geen opmerkingen:
Een reactie posten