“We gaan dit jaar los over de twee miljoen.” zei Jan alsof hij net de Champions League had gewonnen. En eerlijk: als je hem bezig zag, kon je moeilijk anders dan denken dat Jan het gemaakt had.
Ooit was hij begonnen met één camionette, een ladder die
waarschijnlijk al twee eigenaars had overleefd en zichzelf. Inmiddels stonden
er twaalf man op de payroll, reden er verschillende zwarte gepimpte camionetten
met zijn logo door de Kempen en had hij een loods neergezet waar zijn eerste
bedrijf drie keer in paste.
Jan sponsorde de lokale voetbalclub, zijn vrouw reed met een
nieuwe Range Rover en zelf kwam hij tegenwoordig met een nieuwe Porsche Taycan
naar het werk. In de staminee was de conclusie dan ook snel gemaakt: “De Jan?
Die heeft geld jong.”
En Jan deed weinig moeite om dat beeld te corrigeren. “2,4 miljoen omzet”, vertelde hij graag. Wat hij er zelden bij vertelde, was hoeveel daarvan uiteindelijk van hem was. Want na materialen, onderaannemers, lonen, camionetten, brandstof, verzekeringen, de loods, administratie, interesten en al de rest bleef er onderaan de rekening ongeveer €40.000 winst over. Jan had geen klein bedrijf meer, hij had alleen ook geen bijzonder goed bedrijf.